In mijn werk als kindbegeleider kom ik regelmatig in contact met de ontwikkelingen in het sociaal domein. Eén van de dingen die ik de laatste tijd steeds vaker hoor, is het woord collectiveren. Gemeenten en zorgaanbieders zoeken naar manieren om hulp en begeleiding efficiënter te organiseren. En dat snap ik. De druk op het zorgsysteem is groot, er zijn te weinig professionals en de wachtlijsten lopen op. Groepsaanbod kan een deel van de oplossing zijn. Sterker nog: voor bepaalde kinderen, in bepaalde situaties, is een groep zelfs de allerbeste plek.
Maar ik maak me ook zorgen. En die zorg wil ik met je delen.
Want wat gebeurt er als we in de haast om efficiënt te zijn, vergeten om écht naar een kind te kijken?
Laat me je een voorbeeld geven dat ik meer dan eens ben tegengekomen in mijn praktijk. Een kind zit in de klas en begint niet aan zijn opdracht. De leerkracht ziet het, en denkt: dit kind durft niet te beginnen. Het is bang om fouten te maken. Faalangst. En misschien wordt er dan een traject gestart — een groepstraining faalangst, want die zijn beschikbaar, erkend effectief en er kunnen meteen meerdere kinderen van profiteren.
Maar wat nou als dat helemaal niet klopt?
Wat ik in de praktijk zie, is dat dit kind misschien helemaal niet bang is. Dit kind wil gewoon eerst weten waarom het deze opdracht maakt. Wat leert het ervan? Wat is het uiteindelijke doel? Dit kind kan niet zomaar beginnen zonder dat plaatje compleet is — niet omdat het angstig is, maar omdat zijn brein zo werkt. Het denkt van het geheel naar de details, van buiten naar binnen. Bottom-up, in plaats van het top-down werken dat op de meeste scholen de norm is. En dat is heel herkenbaar bij kinderen met kenmerken van hoogbegaafdheid.
Als je dit kind in een groepstraining faalangst plaatst, geef je het de verkeerde sleutel voor het verkeerde slot. Het kind snapt zichzelf al niet, en nu krijgt het ook nog mee dat het angstig is. Terwijl het eigenlijk gewoon duidelijkheid nodig heeft. En misschien een begeleider die de tijd neemt om te vragen: "Wat heb jij nodig om te kunnen beginnen?"
Dat is precies de vraag die ik stel. Niet de vraag waarop ik het antwoord al denk te weten.
Ik geloof heel erg in de kracht van goed doorvragen. Van zitten, luisteren, en niet te snel een conclusie trekken. Want kinderen zijn complex. Ze laten niet altijd zien wat er echt in ze omgaat. Een kind dat stil is, hoeft niet angstig te zijn. Een kind dat niet meedoet, hoeft niet dwars te zijn. En een kind dat niet begint, hoeft echt niet bang te zijn om fouten te maken.
Wetenschappelijk onderzoek laat zien dat groepstrainingen — voor faalangst, emotieregulatie, scheidingsproblematiek — zeker effectief kunnen zijn. Daar wil ik niets aan afdoen. Voor veel kinderen biedt een groep juist iets waardevols: herkenning, normalisering, het besef dat je niet de enige bent. Dat lotgenotencontact kan echt helend werken.
Maar niet elk kind past in een groep. Niet elk kind is er klaar voor. En niet elk kind heeft de hulp nodig die de groep biedt.
Daarom start ik bij Binnen in Beweging altijd met individuele begeleiding op maat. Ik neem de tijd om een kind echt te leren kennen — zonder vooraf al te weten wat het antwoord is. Pas als ik een goed beeld heb van wat een kind nodig heeft, kijk ik samen met ouders naar de beste vervolgstap. En soms is dat inderdaad een kleine groep. Niet een grote training waar twaalf kinderen met hetzelfde etiket bij elkaar zitten, maar een intiem groepje van drie tot zes kinderen, waarbij ik zie dat die kinderen iets aan elkaar hebben. Dat ze elkaar herkennen, van elkaar kunnen leren, of simpelweg baat hebben bij het weten dat ze niet alleen zijn. Als daar vraag naar is en ik merk dat het voor een kind een meerwaarde biedt, dan kijk ik graag naar die mogelijkheid.
Maar die keuze komt altijd ná het echte kijken. Nooit ervoor.
Bovendien werk ik ambulant: bij het kind thuis, op school of op de sportclub. Dáár waar het kind zichzelf is. Dáár waar ik met mijn eigen ogen kan zien hoe het kind functioneert in zijn eigen omgeving. Dat geeft mij informatie die ik in een spreekkamer of een groepslokaal nooit zou krijgen.
Collectiveren mag en kan een goede keuze zijn. Maar laten we ervoor zorgen dat die keuze altijd begint met een echte blik op het kind. Met de vraag: wat heeft dit kind nodig? En niet: in welk aanbod past dit kind?
Elk kind verdient het om gezien te worden. Niet als onderdeel van een groep. Maar als zichzelf.
Heb je vragen over de begeleiding die ik bied, of wil je eens vrijblijvend sparren over wat jouw kind nodig heeft? Neem gerust contact met me op of plan een gratis kennismakingsgesprek.
Reactie plaatsen
Reacties